Andere Geboorte

Van IranActua Encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Een gedicht van Forough Farrokhzad


Heel mijn wezen is een vers van de duisternis

Dat op zichzelf jou herhaalt

En je brengt naar de dageraad van de ontluiking en de eeuwige groei

Ik heb naar jou verlangd en verlangd

In dit vers heb ik je ge-ent op de boom, op het water en het vuur.


Misschien is het leven

Een lange straat die een vrouw met een mand elke dag bewandelt

Misschien is het leven

Een koord waarmee een mens zich ophangt aan een tak

Misschien is het leven een kind dat terugkeert van school

Misschien is het leven een sigaret aansteken

In de pauze tussen twee omhelzingen

Of de verstrooide blik van een voorbijganger

Die zijn hoed afneemt

En een andere voorbijganger, met een minzaam lachje” Goedendag” zegt

Misschien is het leven dat uitzichtloos moment

Waarop mijn blik zich verliest in de pupil van je ogen

En ontluikt daar een gevoel

Dat mij mijn begrip van de maan en mijn perceptie van de duisternis doet

vermengen.


In een kamer op maat van mijn eenzaamheid bekijkt

Mijn hart

Op maat van mijn geliefde

De voorwendsels van zijn geluk

De mooie afgang van de bloemen in de vaas

De scheut die jij in de tuin hebt geplant

En de zang van de kanaries

Die zingen op maat van het vensterraam.


Ach…

Dit is mijn lot

Dit is mijn lot

Mijn lot

Is een hemel die een gordijn mij ontneemt

Mijn lot is het afdalen van een verlaten trap

Om mij te begeven naar iets in het bederf en de melancholie.

Mijn lot is het een nostalgische wandeling te maken in de tuin der herinneringen

En een ziel te planten in de droefheid van een stem die me zegt:


“Jouw handen

ik heb ze lief”.


Mijn handen ik zal ze planten in de tuin

Ik zal opnieuw openbloeien, ik weet het, ik weet het, ik weet het

En de zwaluwen zullen in de holte van mijn vingers met de kleur van inkt

hun eieren leggen.


Aan mijn oren zal ik als ringen

twee paar purperen kersen hangen

En aan mijn nagels kelken van dahlias kleven


Er is een straat ginder

Waar jongens die verliefd waren op mij, nog

Met dezelfde wilde haren, dunne armpjes

En lange benen,

Aan de onschuldige lach terugdenken van een meisje dat op een nacht

De wind heeft meegebracht.

Er is een steegje

Dat mijn hart heeft gestolen uit de wijken van mijn jeugd.


Oord op reis

aan de lijn van de tijd

Oord dat de droge lijn van de tijd verdikt

Oord met een waakzaam beeld

Dat terugkeert van het festijn van een spiegel

En zo gebeurt het

Dat de ene sterft

En de andere blijft.


Aan het arme beekje dat stroomt in een gracht

zal geen enkele visser de parels vangen


Ik

Ik ken een kleine droevige fee

Die verblijft in een oceaan

En die zachtjes zachtjes

speelt op een blokfluitje

het kloppen van haar hart.


Een kleine droevige fee

Die in de komende nacht sterft met een kus

En bij dageraad met een kus herleeft


(vertaald naar het Frans van Mohammad Torabi et Yves Ros)


                                              
Persoonlijke instellingen