Sazman-e Mojahedin-e Khalq-e Iran
Van IranActua Encyclopedie
De People's Mojahedin Organization of Iran (PMOI) is een Iraanse politieke organisatie.
Inhoud |
[bewerken] Oprichting
De PMOI werd opgericht in 1965 door een kleine groep intellectuelen onder leiding van Mohammad Hanifnejad.
Destijds kon men de Iraanse oppositiegroepen onderverdelen in drie categorieën: nationalisten, marxisten en fundamentalisten. Hanifnejad bood iets nieuws: een moderne, democratische interpretatie van de Islam met een onbetwistbaar, nationalistisch politiek perspectief.[7]
[bewerken] Ideologie
De PMOI werd opgericht uit verzet tegen de toenemende corruptie en het despotische bewind van de Sjah van Iran. Als lidorganisatie van de NCRI, onderschrijft de PMOI het Vrijheidshandvest van de NCRI dat opgesteld werd in 1995. “De vrijheid van geloof, meningsuiting en pers dient volledig te zijn. Elke vorm van censuur of controle op geloofsovertuigingen zullen verboden zijn... Algemene verkiezingen en stemmingen zullen de basis vormen van de wettigheid van de regering.” De PMOI pleit eveneens voor een vrij marktsysteem.[8]
De PMOI geloofde en blijft geloven dat verkiezingen en openbare stemming de exclusieve indicatoren zijn van politieke wettigheid en dat het menselijke recht op vrijheid de stempel is en garant staat voor daadwerkelijke sociale vooruitgang9. Zo ook onderschrijft de PMOI als lidorganisatie van de NCRI “alle rechten en vrijheden bepaald in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en samenhangende internationale overeenkomsten”, terwijl de verkozen voorzitter van de NCRI verklaarde: “In een Iran zonder onderdrukking van de mollahs pleiten wij voor de afschaffing van de doodstraf en de afschaffing van alle soorten barbaarse straffen. Wij herhalen onze verbintenis tot het Verdrag tegen Martelingen, de Internationale Humanitaire Wet en het Verdrag inzake de Afschaffing van alle vormen van Discriminatie tegen Vrouwen”.[10]
[bewerken] Geschiedenis
[bewerken] Tijdens de Shah
Wegens een meedogenloze strafexpeditie tegen de organisatie door de Geheime Dienst van de Sjah in de vroege jaren ‘70, met als gevolg de executie van nagenoeg alle leiders van de PMOI en de oprichters, evenals de gevangenneming van een groot deel van haar leden, bleef de PMOI achter zonder enige serieuze organisatorische structuur. Maar dankzij haar streven naar een moderne en progressieve interpretatie van de Islam, verschafte de PMOI ideologische inspiratie voor miljoenen Iraniërs die door hun landelijke protest uiteindelijk de Sjah van Iran in 1979 ten val brachten.
[bewerken] Na de Revolutie van 1979
Na de revolutie begon Massoud Rajavi, destijds Algemeen Secretaris van de PMOI samen met andere oud-leden die allen kort voor de revolutie vrijgelaten werden, aan de herstructurering van de organisatie. De PMOI vond zichzelf echter al snel in een directe strijd tegen de strijdkrachten van Ayatollah Khomeini en zijn bewind. Ayatollah Khomeini, de ‘valiy-e-faqih’ of Allerhoogste Leider zag zichzelf als de plaatsvervanger van God op aarde.
De geschillen met Khomeini dateren uit de jaren ‘70 en vloeien voort uit de oppositie tegen wat vandaag bekend staat als Islamitisch Fundamentalisme. Hoewel de PMOI haar ideologie net als Khomeini ontleent aan de Islam, gelooft de PMOI in tegenstelling tot Khomeini en zijn aanhangers, in vrijheid, tolerantie en democratische waarden[11] Zij pleit ook voor de scheiding van kerk en staat.
Na de revolutie wenste de PMOI een democratische en niet-geestelijke regering, waarmee zij zich lijnrecht tegenover het Iraanse bewind opstelde. Het Iraanse bewind introduceerde uiteindelijk een islamitisch fundamentalistische en dus ondemocratische grondwet, gebaseerd op het beginsel van de ‘velayat-e-faqih’ (absolute suprematie van de geestelijke wetten). De PMOI verzette zich tegen deze grondwet en stemde er niet voor.
In een openbaar rapport van december 1984 over de PMOI, schreef het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken het volgende:
“De Mojahedin hebben het bewind van Khomeini nooit aanvaard als een geschikte Islamitische regering. Toen Khomeini aan de macht kwam, deden de Mojahedin een oproep om de revolutie voor te zetten, maar zeiden dat ze uitsluitend binnen het wettelijke kader van het nieuwe bewind verandering zouden nastreven... De Mojahedin namen ook actief deel aan het nationaal debat inzake de structuur van het nieuwe Islamitische bewind. De Mojahedin streefden, tevergeefs, naar een vrij verkozen constituerende vergadering voor de opstelling van een grondwet.
[bewerken] Eerste Presidentverkiezingen van Iran
Gelijktijdig deden de Mojahedin een poging tot politieke participatie door de deelname van de Mojahedin leider Massoud Rajavi aan de presidentsverkiezingen van januari 1980. Rajavi werd gedwongen zich terug te trekken toen Ayatollah Khomeini besliste dat alleen uit kandidaten gekozen kon worden die de grondwet via het referendum van december ondersteund hadden, welk referendum de Mojahedin geboycot hadden...
In de vroege zomer van 1980 hielden de Mojahedin meerdere bijeenkomsten van meer dan 150.000 mensen. Rajavi beloofde de strijd voort te zetten tegen de fundamentalistische dominantie. Op 25 juni reageerde Khomeini met een ingrijpende verklaring tegen de Mojahedin door te verkondigen dat hun activiteiten de revolutie zouden ontwrichten en de deur weer open zouden zetten voor de ‘Amerikaanse Dominantie’.
Het Brits Ministerie van Buitenlandse Zaken nam gelijksoortige standpunten in ten aanzien van de strijd tussen de PMOI en het toenmalige Iraanse bewind. Dit ministerie verklaarde:
“De MKO (PMOI) had een voorname rol in de revolutie en was de twee daarop volgende jaren een belangrijk element in de interne machtsstrijd. Zij boycotten het referendum omtrent de grondwet van de Islamitische Republiek en Rajavi werd gedwongen zich als presidentskandidaat van de Republiek terug te trekken toen Khomeini verklaarde dat alleen personen die voor de grondwet gestemd hadden aan de verkiezingen konden deelnemen. Rajavi deed mee aan de verkiezing van de Majlis (Iraans Parlement) in 1980, maar werd niet gekozen – hoogst waarschijnlijk wegens geknoei met de verkiezingsresultaten”.[12]
[bewerken] Strafcampagne tegen de PMOI
Geprikkeld door de door de PMOI ingenomen positie tegen zijn bewind en ongerust over de groeiende populariteit van de PMOI, gaf Khomeini het bevel tot een meedogenloze strafcampagne tegen de PMOI en haar aanhangers. In zijn boek ‘De Iraanse Mojahedin’ van Ervand Abrahamian, getuigde Abrahamian, een criticus van de PMOI, van deze strafcampagne:
“De Hezbollah, zonder twijfel hiertoe gedreven door de IRP (Islamitische Republikeinse Partij) voerde oorlog tegen de Mojahedin (PMOI). Ze vielen niet alleen de kantoren van de Mojahedin aan, maar ook drukpersen en verstoorden bijeenkomsten in Teheran, Rasht, Gorgan, Hamadan, Mianeh, Mashad, Shiraz, Isfahan, Kermanshah, Khomein, Malayer en Qiyamshahr (Shahi). Deze aanvallen kostten drie doden en meer dan 1000 gewonden. Bij de aanval op de bijeenkomst van Teheran, waaraan meer dan 200.000 mensen deelnamen, werden drieëntwintig Mojahedin sympathisanten ernstig gewond.”[13]
Shaul Bakhash, professor in de geschiedenis aan de George Mason Universiteit in Virginia en Midden-Oosten specialist, alsmede adviseur van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken, voegde hieraan toe:
“In februari 1980 werden 60.000 exemplaren van de ‘Mojahed’ in beslag genomen en verbrand. In Mashad, Shiraz, Qa’emshahr, Sari en talrijke andere kleine steden werden de hoofdkwartieren van de Mojahedin, studentenverenigingen en meetings aangevallen en geplunderd. Aangezien de Mojahedin bijeenkomsten vaak veel volk op de been brachten, liepen deze aanvallen dikwijls uit op een enorm strijdgewoel. In april raakten circa 700 mensen gewond bij de aanval op de hoofdkwartieren van de Mojahedin in Qa’emshahr en 400 in Mashad. Tien leden van de organisatie verloren het leven in confrontaties tussen februari en juni 1980.”[14 ]
In antwoord op een brief van PMOI aanhangers in augustus 1980, klagend over de strafcampagne, schreef Mollah Allameh, hoofd van de Revolutionaire Rechtbank in Bam in het zuiden van Iran:
“Volgens het besluit van Imam Khomeini zijn de Mojahedin van Iran ongelovigen en erger dan godslasteraars... Zij hebben geen recht om te leven.”[15]
[bewerken] 20 juni 1981
Het keerpunt in de strijd tussen de PMOI en het Iraanse bewind vond plaats op 20 juni 1981, toen de PMOI aanspoorde tot een protestactie ter verzet tegen de strafcampagne van het Iraanse bewind en om op te roepen voor politieke vrijheid en de vrijlating van duizenden politieke gevangenen. Over deze doorslaggevende dag vertelde Ervand Abrahamian:
“…in vele steden verschenen enorme mensenmenigten, vooral in Teheran, Tabriz, Rasht, Amol, Qiyamshahr, Gorgan, Babolsar, Zanjan, Karaj, Arak, Isfahan, Birjand, Ahwaz en Kerman. De betoging in Teheran bracht niet minder dan 500.000 vastberaden mensen bijeen. Waarschuwingen tegen betogingen werden constant op de radio en televisie omgeroepen. Aanhangers van de regering raadden de mensen aan thuis te blijven: de Organisatie van Nabavi van de Mojaheds van de Islamitische Revolutie smeekte de Iraanse jeugd bijvoorbeeld om hun levens niet te verspillen in het belang van ‘liberalisme en kapitalisme’. Vooraanstaande geestelijken verklaarden dat betogers, ongeacht hun leeftijd, behandeld zouden worden als ‘vijanden van God’ en bijgevolg ter plekke gedood zouden worden. De Hezbollah waren gewapend en per vrachtwagens aangevoerd om de hoofdstraten af te sluiten. Pasdars [Revolutionaire Garde] hadden de opdracht te schieten. Vijftig personen werden gedood, 200 gewond en 1000 gearresteerd alleen al in de buurt van de Teheraanse Universiteit. Dit overtrof de meeste straatconfrontaties van de Islamitische Revolutie. De directeur van de Evin Gevangenis kondigde met veel ophef aan dat schietende troepen drieëntwintig betogers hadden doodgeschoten, inclusief een aantal jonge meisjes. Het terreurbewind was begonnen.”[16]
In een rapport van 1987 voegde Amnesty International hieraan toe:
“Hoewel haar eigen telling (d.w.z. van Amnesty) inzake het aantal executies verre van volledig is, werden er in de zes maanden tussen juli en december 1981 2444 executies geregistreerd... In de vroege jaren ‘80 verzamelde Amnesty International gedetailleerde informatie over massa-executies en registreerde een aantal gevallen van executies van minderjarigen wegens politieke misdrijven in de Islamitische Republiek van Iran. Amnesty ontving ook meldingen over de executie in 1981 en 1982 van jongeren, waarvan sommigen slechts 11 jaar waren. Amnesty International ontving ook meldingen van de executie van zwangere vrouwen.”[17]
Sindsdien werden leden en aanhangers van de PMOI de hoofdslachtoffers van mensenrechtenschendingen in Iran. Tienduizenden aanhangers werden door het Iraanse bewind geëxecuteerd, inclusief 30.000 politieke gevangen die in de paar maanden tussen de zomer en de herfst 1988 werden geëxecuteerd na een fatwa uitgevaardigd door Ayatollah Khomeini tegen de PMOI. De fatwa verkondigde onder andere het volgende:
“Aangezien de Monafeqin (Mojahedin) niet geloven in de Islam en hun woorden bedrog en schijnheiligheid verspreiden... is besloten dat de personen die over het hele land gevangen zitten en trouw blijven aan de principes van de Monefaqin oorlog voeren tegen God en tot de dood veroordeeld worden... Het is kortzichtig genade te kennen voor degenen, die tegen God oorlog voeren. De vastberadenheid waarmee de Islam de vijanden van God behandelt, behoort tot de onaanvechtbare principes van de islamitische staat. Ik hoop dat u, met uw revolutionaire geestdrift en wraak ten opzichte van de vijanden van de Islam, de voldoening van de Almachtige God zult krijgen. Besluitvoerders mogen niet aarzelen, noch enige twijfel tonen of bezorgd zijn om details. Ze moeten proberen ‘zo meedogenloos mogelijk te zijn ten opzichte van ongelovigen’.”[18]
De PMOI beweert dat in de afgelopen 25 jaar het Iraanse bewind meer dan 120.000 politieke gevangenen heeft geëxecuteerd, de meeste van hen leden van de PMOI. Ze hebben ook een boek gepubliceerd met namen en persoonlijke gegevens van meer dan 21.600 ter dood gebrachte mensen. In een briefing over Iran verklaarde Amnesty International dat in de periode tussen 1981 en 1982 alleen al “... duizenden leden van de Iraanse Volksmojahedin geëxecuteerd werden.”[19]
De PMOI leden en aanhangers die niet gearresteerd of geëxecuteerd werden, werden gedwongen tot ballingschap. De meerderheid van hen vertrok naar Parijs.
[bewerken] Van Parijs naar Bagdad
In 1986, vertrok Massoud Rajavi met enkele PMOI leden naar Irak, nadat ze door de regering van Jacques Chirac onder druk gezet waren om het land te verlaten. Dit was het resultaat van afspraken tussen de Franse regering en het Iraanse bewind om Franse gijzelaars, die in Libanon door agenten van het Iraanse bewind vastgehouden werden, te bevrijden.
Voormalig Frans diplomaat Eric Rouleau werd in 1986 naar Teheran gezonden voor een geheime vierdaagse missie om te onderhandelen over de vrijheid van de Franse gijzelaars in Libanon en besprak de zaak met Mohsen Rafiqdoust, destijds Minister van de Iraanse Revolutionaire Garde. Rouleau verhaalt uitvoerig hoe na een akkoord met het bewind van de mollahs en slechts enkele uren voordat hij naar Libanon zou vliegen om de gijzelaars te ontvangen die vrijgelaten zouden worden, Rafiqdoust “plotseling de overeenkomst verbrak.”[20]
Men vertelde aan Rouleau dat hij zijn tijd verdeed door met Rafiqdoust te onderhandelen, omdat “er mensen van uw oppositie in de kamer hiernaast zitten die zeggen dat ze bereid zijn vijf gevangenen vrij te laten (die het Iraanse bewind van Frankrijk wilde) en in plaats van één miljard bereid waren twee miljard dollar te betalen en de leiders van de Iraanse oppositie te verbannen of zelfs te arresteren... Uiteindelijk was het de regering van Chirac die de gijzelaars vrij kreeg.”[21]
In verband met het vertrek van de PMOI naar Irak, verklaarde Mohammad Mohaddessin, Voorzitter van het Comité van Buitenlandse Zaken van de NCRI:
“Hoewel de druk van de Franse regering op het Iraanse Verzet om Frankrijk te verlaten al meer dan een jaar bezig was, besloot Rajavi uitsluitend naar Irak te vertrekken als hij verzekerd kon zijn van de onafhankelijkheid van het Verzet en zonder inmenging van de Iraakse regering in zijn zaken. Als tegenprestatie zou het Verzet zich in geen enkel geval bemoeien met interne Iraakse kwesties...
Het vertrek van het Verzet naar Irak in 1986 vond plaats in een tijd dat gebiedsindeling enorm verschilde van de situatie na de invasie van Irak in Koeweit en de Golfoorlog van 1991. Destijds hadden alle Europese landen en de Verenigde Staten nauwe banden met de Iraakse overheid... Met een bijzonder realistisch spectrum dat het Iraanse bewind Irak militair zou overwinnen en het land zou bezetten, deden Arabische landen in de regio en Westerse machten hun uiterste best om zo’n rampzalig resultaat van de oorlog te vermijden, hetgeen duidelijk geleden zou hebben tot een snelle groei van het Islamitische fundamentalisme in het hele Midden-Oosten en Noord-Afrika.”[22]
Senator Robert Torricelli voegde hieraan toe,
Ik denk dat het eenvoudige feit dat de Volksmojahedin krijgsmachten in Irak gebaseerd heeft, haar niet minder legitiem of doeltreffend maakt. De Volksmojahedin is gebaseerd in Irak omdat zij nergens anders naar toekan en omdat het in de nabijheid van Iran moet blijven... Het is een eenvoudig gevolg van geografische en politieke realiteiten.”[23]
[bewerken] Nationaal Bevrijdingsleger van Iran
In juni 1987 werd de oprichting van het Nationaal Bevrijdingsleger van Iran (het NLA) aangekondigd. Haar doel was het verschaffen van steun aan het Iraanse volk in zijn poging veranderingen te brengen in Iran.
De PMOI voerde aan dat het uitsluitend de wapens opgenomen had als laatste uitvlucht en alleen nadat elke mogelijkheid voor politieke deelname definitief verloren was gegaan. In een interview met ‘L’Unité’, in Parijs op 1 januari 1984, verklaarde Massoud Rajavi:
“…de Islam die wij belijden vergeeft geen bloedvergieten. We hebben nooit confrontatie en geweld uitgelokt, noch begroet. Om dit uit te leggen ben ik zo vrij om via u een boodschap over te brengen aan Khomeini... Mijn boodschap luidt als volgt: Als Khomeini bereid is werkelijk vrije verkiezingen te houden dan keer ik onmiddellijk terug naar mijn vaderland. De Mojahedin zullen hun wapens neerleggen om deel te nemen aan zulke verkiezingen. Wij vrezen het resultaat niet, wat dat ook moge zijn.
Voordat de gewapende strijd begon, hebben wij geprobeerd alle wettelijke middelen te gebruiken om aan de politiek deel te nemen, maar de onderdrukking dwong ons ertoe de wapens op te nemen. Als Khomeini slechts de helft of een derde van de vrijheden waar de Fransen van genieten, toegestaan had, zouden we vast en zeker een democratische overwinning behaald hebben.”
De aanwezigheid van de PMOI in Irak werd na de crisis in Koeweit een noodzaak voor de organisatie. Hoewel de neutraliteit van de PMOI in de oorlog erkend was, veranderde de crisis volledig het geopolitieke landschap van de regio. Met de invasie van Koeweit nam Irak de plaats van Iran over als voornaamste boosdoener van de regio.
[bewerken] 2003: Oorlog Irak
De meer recente oorlog in Irak veranderde echter de omstandigheden van de PMOI. Hoewel de organisatie haar neutraliteit reeds vóór de oorlog aangekondigd had24, leidde een overeenkomst van het Iraanse bewind met de Verenigde Staten en Groot-Brittannië tot de bombardering van de basiskampen van de PMOI. The Wall Street Journal meldde:
De ontmanteling van de Iraanse oppositiekrachten in Irak [PMOI]... vloeit voort uit een Amerikaanse garantie, die voor de start van de vijandigheden overgebracht werd aan de Iraanse leiders, dat de groepering getroffen zou worden door Britse en Amerikaanse troepen als Iran zich buiten de gevechten zou houden, aldus Amerikaanse leiders...
Maar de Nationale Veiligheidsadviseur Condeleeza Rice en minister Colin Powell hielden vol dat Teheran overtuigd zou kunnen worden neutraal te blijven ten opzichte van de Amerikaanse invasie bij hun buren, zeker als zij zouden weten dat de MEK [PMOI] aangevallen zou worden en voortaan Iran niet meer lastig zou vallen, legde de leider uit.”[25]
In de nasleep van de oorlog in Irak, rond 15 april 2003, tekenden de Coalitiekrachten een overeenkomst van “wederzijds begrip en coördinatie” met de PMOI in Irak. Deze overeenkomst werd oorspronkelijk aangekondigd door Brig. Gen. Vincent Brooks, woordvoerder van het Amerikaans Centraal Commando in Doha en later bevestigd door andere Amerikaanse leiders, inclusief de Amerikaanse minister in zijn persbericht van 2 mei 2003. Krachtens deze overeenkomst kreeg de PMOI toestemming om haar wapens te behouden en zichzelf te verdedigen tegen aanvallen van het Iraanse bewind en haar agenten.[26]
Nadat de overeenkomst van “wederzijds begrip en coördinatie” afgesloten was, gingen de onderhandelingen verder tussen de PMOI en de bevelhebbers van de Coalitie. Op 10 mei 2003 werd aangekondigd dat de partijen tot een overeenkomst gekomen waren waarbij de PMOI vrijwillig haar wapens zou overdragen en zich zou gaan hergroeperen.
Generaal Ray Odierno, bevelhebber van de vierde infanterie van het Amerikaanse leger zei tijdens de aankondiging van deze overeenkomst, dat het personeel van de PMOI in één kamp verzameld zou worden en dat hun uitrustingen in een ander kamp opgeslagen zouden worden. Generaal Odierno zei na de overeenkomst dat de PMOI belang leek te hechten aan de democratie in Iran en dat haar samenwerking met de Coalitiekrachten een herziening van haar “terroristische” status met zich mee zou moeten brengen. Het Frans Persagentschap citeerde hem als volgt:
“Ik zou zeggen dat elke organisatie die haar uitrusting aan de Coalitiekrachten overgedragen heeft, duidelijk met ons samenwerkt, en ik geloof dat dit moet leiden tot een heroverweging om te bezien of zij nog steeds een terroristische organisatie is of niet.”[27]
In juli 2004, na een grondige toetsing van 16 maanden van de leden en de activiteiten van de PMOI in Irak, erkende de Multinationale Macht van Irak en later de Amerikaanse regering officieel de leden van de PMOI als “beschermde personen” onder het Vierde Verdrag van Genève. Verder vonden zij geen enkele grondslag om welke aanklachten dan ook aan te voeren tegen de leden van de PMOI.[28]
BRONNEN
* 7 Deskundige uiteenzetting van Dr. Khalid Duran (specialist in Islamitische zaken en het * Midden-Oosten), dd. 29 augustus 2001 * 8 “Does Washington need a new policy towards Tehran?”, door Neil C Livingstone, PhD, * Voorzitter en CEO van Global Options Inc., dd. 18 juni 2003 * 9 ‘Democracy Betrayed’, gepubliceerd door de NCRI in 1995 * 10 Maryam Rajavi, gekozen Voorzitter van de NCRI, 18 juni 2005, Cergy, Frankrijk * 11 Deskundige getuigenis van Dr. Khalid Duran (specialist in Islamitische Zaken en het * Middenoosten), dd. 29 augustus 2001 * 12 ‘The Mujahedin-e-Khalq’, rapport door Het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken, * opgesteld in maart 2001 * 13 ‘The Iranian Mojahedin’, door Ervand Abrahamian, blz. 206 * 14 ‘Reign of the Ayatollahs: Iran and the Islamic Revolution’ door Shaul Bakhash, Basic * Books, 1990 * 15 ‘Enemies of the Ayatollahs’, door Mohammad Mohaddessin, Zed Books, blz. 55 en 56 * 16 ‘The Iranian Mojahedin’, door Ervand Abrahamian, pg. 218 tot 219 * 17 ‘Iran – Violations of Human Rights’, door Amnesty International gepubliceerd in 1987 * 18 ‘Khomeini Fatwa led to killing of 30,000 in Iran’, door Christina Lamb, The Sunday * Telegraph, 4 februari 2001 * 19 ‘Amnesty International – Iran briefing’, gepubliceerd in 1987 * 20 Eric Rouleau interview met Al-Jazeera televisie, 22 december 1999 * 21 Eric Rouleau interview met Al-Jazeera televisie, 22 december 1999 * 22 ‘Enemies of the Ayatollahs’, door Mohammad Mohaddessin, blz. 114 * 23 Verklaring op een persconferentie op Capitol Hill op 8 juni 1995 * 24 Bericht van Massoud Rajavi, ‘The House Magazine’, 31 maart 2003 * 25 ‘US Bombs Iranian Fighters on Iraqi side of the Border’, ‘The Wall Street Journal’, 16 * april 2003 * 26 ‘The New York Times’, 29 april 2003 * 27 ‘US says Iran opposition in Iraq agrees to disarm’, Agence France Presse, 10 mei 2003 * 28 ‘US Sees No Basis to Prosecute Iranian Opposition ‘Terror’ Group Being Held in Iraq’, * ‘The New York Times’, 27 juli 2004

